Noord en Zuid op de Algemene Ledendag 2002 bijeen op een toepasselijke locatie
Door dr. Anne Doedens, voorzitter afdeling Leiden
Vooraf
Leiden is voor de liefhebber van taal en cultuur uit Noord en Zuid een stad van bijzondere betekenis. Een ontmoetingsplaats bij uitstek. Een noordelijke stad met zeer veel zuidelijke invloeden. Men kan er tijdens de rondwandelingen ter gelegenheid van onze Algemene Ledendag op 21 september kennis mee maken. Wat is en was de Zuid-Nederlandse betekenis voor deze Noord-Nederlandse stad? Bij veel Vlamingen en Brabanders van nu is onbekend welke aantrekkingskracht Leiden reeds in de zestiende eeuw op het Vlamingen en Brabanders uitoefende. Ik dank mijn mede-Prince-lid Karel Bostoen voor zijn hulp en suggesties ter zake van dit artikel.
Wie kwamen naar Leiden? Bij de emigratie van Zuid naar Noord in de zestiende eeuw trok een grote groep textielwerkers en een kwalitatief 'zware' groep geleerden, humanisten naar de Sleutelstad. Daartoe behoorden bv. de Plantijns die door hun drukkerij voor de stad en de universiteit van ongemeen grote betekenis bleken.
1. Over de omvang, herkomst en oorzaak van de immigratie
De grootste immigratiegolf uit het Zuiden kreeg Leiden te verwerken in de jaren tachtig van de zestiende eeuw. Het ging hiebij vooral om textielarbeiders en -ondernemers. Zij kwamen onder meer uit een 'Calvinistisch broeinest': '"Van Hontschoote, waarvan de bevolking in 1582 voor een groot deel naar Leiden vertrok" [bij de derde van de vier migratiegolven, 1577-1589], wordt gezegd dat het "voornaemste ende meest heretiecksch nest van Vlaenderen" was' (Briels, 1978, 15.)
Hondschoote was, samen met Armentières, het centrum van de plattelands-textielnijverheid of 'nieuwe draperie'. Daar werden stoffen gemaakt van Spaanse wol die lichter en goedkoper waren dan in de late Middeleeuwen gebruik was. Na de verwoesting in 1582 van Hondschoote door de Franse troepen van de hertog van Anjou, trokken veel drapeniers en wevers naar Leiden. Zij gaven de kwijnende lakennijverheid in deze stad een forse stimulans. Deze Leidse nijverheid was in de jaren 1520-1580 hard achteruit gegaan als gevolg van het teruggelopen belang van de Hanze, de hoge uitvoerrechten die de Tudors hieven op Engelse wol en de opkomst van de Engelse draperie. De stad had ook door de belegeringen van 1573 en 1574 een enorm bevolkingsverlies geleden. In de decennia na 1582 vestigden zich eveneens zuiderlingen in de Leiden. Een voorbeeld van zo'n latere emigratie naar Leiden: ' ..... Arnoldus Juwette, burger van de stad Brugge in Vlaanderen, die zich op 5 december 1629 bij het stadsbestuur van Leiden aanmeldde met het verzoek zich hier te mogen vestigen, eensdeels, naar hij verklaarde, 'om alhier te leven naer de ware religie [met de gratie Gods], eensdeels oock om met eeren te mogen sijn cost winnen"'. (Briels, 1978, 19)
Briels schat het totaal aantal naar de Noordelijke Nederlanden geëmigreerden in de halve eeuw rond 1600 op 150.000 personen. Waarschijnlijk is deze taxatie aan de hoge kant. Van deze veronderstelde 150.000 immigranten zou Leiden percentueel van alle Hollandse steden relatief de meeste toevloed binnen de poorten gekend hebben. De stad zou een bevolkingsgroei van 67% of 30.000 immigranten gekend hebben. Elders wordt gesteld dat tussen 1581 en 1621 28.000 immigranten Leiden binnen zouden zijn gekomen. Volgens Briels is er overigens al in 1581 - dus voor de val van Hondschoote - sprake van een forse instroom uit het Zuiden. Van de mannelijke inwoners van Leiden zou toen al 40% van buiten de stad gekomen zijn. Daarvan kwam weer 14% uit Vlaanderen. Boudien de Vries vermeldt, dat in datzelfde jaar 1581 10% van de totale mannelijke stadsbevolking uit Vlaanderen afkomstig was. (J.K.S. Moes en B.M.A. de Vries red., "Stof uit het Leidse Verleden. Zeven Eeuwen Textielnijverheid." Utrecht, 1991.) Zij geeft ook een vroegere datering voor de komst van de eerste Vlamingen naar Leiden: 'Het begin van deze immigratie dateert van 1577, toen een paar Vlamingen, die om geloofsredenen naar Colchester waren gevlucht, naar Leiden kwamen. Het stadsbestuur bood hun namelijk aantrekkelijke voorwaarden: ze kregen onder andere gratis of tegen een gereduceerd tarief het poorterschap.' (Moes en De Vries, 78.)
De door Briels getrokken conclusies over de omvang en betekenis van de immigratie zijn volgens Boudien de Vries overdreven: 'Soms is de indruk gewekt als zou het gaan om honderdduizenden mensen, die met hun kapitaal, nieuwe technieken en handelskennis een onmisbare schakel vormen in de verklaring voor de opbloei van het Noorden. Terecht heeft P.W. Klein erop gewezen dat dergelijke aantallen alleen op fantasie berusten en dat - hoewel belangrijk - aan de immigratie niet een dergelijke cruciale rol kan worden toegeschreven.' (ibidem, 78.)
Hoe dan ook, Leiden groeide in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw in in omvang uit tot Hollands tweede stad. (In 1570 had de stad 15.000 inwoners, naar grootte de derde plaats in Holland; in 1622 waren dat 44.745 inwoners geworden, de tweede plaats). Deze groei had zonder meer met de immigratie vanuit Vlaanderen en Brabant te maken. Deze beperkte zich niet tot het vierde kwart van de zestiende eeuw en de eerste jaren van de zeventiende. Leiden bleef immers nog tot ver in de zeventiende eeuw textielwerkers uit het Zuiden aantrekken.
De Leidse bevolkingsgroei was niet alleen het resultaat van externe factoren. De Leidse overheid spande zich, met name uit economische motieven, in, om immigranten in de stad in te halen. Van dit stedelijk eigenbelang geef ik een paar voorbeelden. De stad verklaarde in 1588: '[dat] duer het verderf van Hondtschoten, Brugghe, Ypere ende Nieupoort, soe es deur middel ende zegen van God Almachtich, die dese stat verjont heeft, de neeringe van de sayen opgecommen, daerduere dat de stadt ende t'gemeene sonder twyfelen daervan wel geprofyteert hebben'. (Briels, 1978.) In 1592 was een zelfde geluid te beluisteren van de kant van het Leidse gemeentebestuur: '[door de komst van de saai-nering] herwaerts van den viandt metter woone, bij maniere van spreecken, eenige steden oock, die duer de hette deses oorlogs genouch ten vuytersten toe gebracht waren ende haren onderganck voor ogen sagen ... wederom alleen duer dit middel sulcx duer Gode geholpen ende verquict geworden [waren], dat in plaetse dat sy te voiren als onbewoent ende ledich geen onderstant van de gemeene saecke costen contribueren, deselve nu, mit inwoenders beset zijnde, by groete sommen tgemeene lant assisteren'. (N. Posthumus, 1912, 1780)
Briels draagt van de door hem benadrukte massaliteit van de immigratie veel voorbeelden aan. Van alle immigranten zouden de zuiderlingen tussen 1575 en 1619 gemiddeld 68,5% uitgemaakt hebben. De periode 1585-1589 - men denke aan de val van Antwerpen in 1585 - gaf volgens hem het hoogste percentage nieuwe poorters uit de Zuidelijke Nederlanden te zien: 86,4%. De Vries en Van der Woude (1995, 334vv.) komen tot lagere cijfers voor diezelfde jaren 1585-1589. Volgens hen maakten Zuid-Nederlanders 44,2% van het totaal aan nieuwe poorters uit. Ondanks haar relativering van Briels' cijfers meent De Vries toch dat de groei van de stad voor een belangrijk deel op het conto van de immigratie, vooral uit Vlaanderen geschreven moet worden.
Deze immigranten droegen tussen 1595 en 1620 in belangrijke mate bij aan de verdubbeling van de textielproductie van de stad (in vele variëteiten van lichte wollen en halfwollen stoffen). Zij introduceerden de reeds genoemde 'nieuwe draperie': de productie van stoffen die minder lang 'gevold' waren dan lakense stoffen, textiel dat goedkoper en ook minder duurzaam was. Het lot van de immigranten was vaak armoedig. Zij waren bovendien het slachtoffer van vreemdelingenhaat. Briels vertelt, dat in 1596 en volgende jaren veertig procent of meer van de (voornamelijk Zuidelijke) bevolking van Leiden steun ontving.
2. De immigranten: hun opvattingen en motieven
Het calvinistische karakter van een groot deel van de vooral Vlaamse instroom wordt duidelijk uit een reeks voorbeelden. Er waren predikanten uit het Zuiden in Leiden, zoals Jehan Polyander à Kerckhove (van Gent), Adriaen Saravia (van Hesdin), Antonius Walaeus (van Gent). Briels schrijft (1978, 31): 'Gemeenten met een sterk zuidnederlandse inslag treffen we aan te ... Leiden'. Dit calvinisme was vaak van de orthodoxe soort. De "Voorbeschikking" werd in gomaristische zin verklaard. Zo stond tijdens de Bestandstwisten in 1615 in Leiden een handjevol remonstranten tegenover een leger van vooral Zuid-Nederlandse contraremonstranten. Toen een aanhanger van Arminius in de stad in dezelfde periode de kansel besteeg vluchtten de "Flandri exules" (Vlaamse ballingen) de kerk uit. In hetzelfde jaar 1615 vroeg een Leids burgemeester aan Episcopius, regelmatig in Leiden te willen preken. Deze antwoorde, dat hij niet onderworpen wilde zijn aan de censuur van de Vlamingen in de kerkenraad.
De geïmmigreerde Zuid-Nederlandse calvinisten behoorden niet tot 'de stillen in den lande'. Na 1610 trokken vanuit Leiden regelmatig ‘calvinistische’ knokploegen rond in de regio, 'insonderheit Vlaemingen van Leyden'. (Toch moet men voorzichtig zijn met algemene uitspraken over de calvinistische aard van de 'Vlaamse instroom'. In het universitaire milieu lagen de zaken – zie hierna - soms gans anders.)
De godsdienst stimuleerde de immigranten ook politiek actief te worden. In 1587 lieten enkele Zuid-Nederlanders zich voor het karretje van Leicester spannen in een poging de 'libertijnse' magistraat af te zetten. Uit 1622 stamt de volgende uitspraak van Hugo de Groot: 'De experientie heeft geleert, dat in plaetsen daer weynich vreemdelingen waren, gelijck tot Rotterdam, oock seer weynigh persoonen zijn bevonden, gheneghen tot scheuringe ... ter contrarie tot Haerlem ende tot Leyden, steden die een groote menichte van uytgewekenen uyt Vlaanderen... hebben ontfangen'.
Na 1618 werd het rustiger onder de uitgeweken Vlamingen. Integratie vond, voor zover deze er al niet was, gaandeweg plaats. Soms echter kwam het verleden weer boven, zoals in 1648, toen de vader van de bekende schrijver Pieter de la Court in opspraak kwam. Deze was afkomstig uit leper en in Leiden rijk geworden. (In 1630 blijkt hij in de stad een belangrijke industrieel te zijn, nadat hij in 1616 als bouratwerker was begonnen.) De la Court werd in 1648 aangeduid als: '[een] hoere waerts soon buytren Yperen... met meer Walsche luysen als daelders of ducaat, met tap op lap en schurft en rap, en bedelend bij de straet'. (Van Tijn, 1956, 304vv.)
3. Zuidelijke cultuurdragers en cultuurproductie in een noordelijke stad
Op een totaal andere wijze dan voor de textielproductie was de immigratie voor het maatschappelijke, intellectuele en culturele leven van Leiden van belang. Veel gevluchte zuidelijke intellectuelen (humanisten vooral uit Leuven) integreerden in de nieuwe universitaire gemeenschap. 'De integratie van de Zuidnederlanders in de Leidse universitaire gemeenschap was op zich zelf een opmerkelijk verschijnsel, dat een vraag oproept. Had zich hier gemakkelijk en als vanzelfsprekend een proces voltrokken, dat in de lagere sociale regionen voorlopig nog op vele obstakels stuitte? Daar immers bleef het Zuidnederlandse bevolkingselement nog heel lang een corpus alienum. Verschil in levenshouding, in beschaving en in materiële middelen brachten Vlamingen en Hollanders vaak tegenover elkaar ... in de strijd om de opvolging van de hoogleraar in de theologie Junius speelde ... [het besef van verscheidenheid] nog een kwalijke rol. Curatoren wensten Arminius op de leerstoel en zij voerden mede in zijn voordeel aan, dat hij Hollander was en zich beter naar de 'humeuren des lands’ zou kunnen schikken dan een buitenlands geleerde. Gomarus, hoogleraar sedert 1594, werd niet genoemd, maar zij doelden wel op hem, want Wtenbogaert had in hetzelfde verband gesproken van Fransciscus Gomarus, een Vlaming van Brugge. "Waer toe dit hier by? een Vlaming", luidde Trigland's boze vraag. "Waer toe dit? Zijn se niet menschen? Zijnse niet vande Nederlandsche Provincien?"' [Overigens:] Klachten over niet kunnen aarden waren er genoeg.' (Leiden University in the seventeenth century. An exchange of learning." (Leiden, 1975; red. Th. H. Lunsingh Scheurleer e.a.)
Er is een Zuid-Nederlander die aparte vermelding verdient, een eminente vertegenwoordiger van de naamgever van onze Orde, prins Willem: de in Brussel geboren Filips van Marnix, heer van St. Aldegonde. Deze stierf op 15 december 1598 in Leiden. Het was niet zijn eerste vestigingsplaats in het Noorden. In 1570/1 was hij in dienst van Oranje gekomen. In 1572 had hij deze op de eerste vrije Statenvergadering van Dordrecht vertegenwoordigd. Daarna was Marnix militair gouverneur van Rotterdam geworden. Aldegonde vestigde zich in 1595 vanuit Souburg op Walcheren in Leiden, aan de Pieterskerkgracht. Daar vatte hij, in opdracht van de Staten-Generaal, het werk aan de vertaling van de Bijbel op. De bibliotheek van de Academie en een stoet van geleerden waren comfortabel in de buurt. Veel verder dan het boek Genesis kwam de begaafde taalkundige Marnix echter niet: 'het [heeft] Gode belieft hem uyt deser werelt wech te nemen.' Aldus Bogerman en Baudartius. (C.C. de Bruin, 'De Statenbijbel en zijn voorgangers", Leiden, 1937.)
4. Justus Lipsius of: het lachen vergaan. Niet alle Zuid-Nederlanders blijven
'De ellendige sociaal-economische situatie sinds de val van Antwerpen in 1585 lijkt tijdgenoten tot noodgedwongen droefgeestigheid te stemmen …', aldus Johan Verberckmoes in zijn artikel over "Het lachen van de Zuidnederlanders" (Tijdschrift voor Geschiedenis, 99 (1986), 167-183). Toch was droefenis geen overheersend kenmerk in het Zuiden. Verberckmoes haalt de Spaanse legerkapitein Alonso Vasquez aan, die in een boek uit 1614 over de Vlamingen schrijft: 'als passionele en gewelddadige dronkaards, die zelfs aan de voet van de galg klinken op ieders gezondheid en het uur voor hun executie doorbrengen met allerlei grapjes... [hij] portretteert. het mythische beeld van de slempende, rondbuikige en goedlachse Vlaming.' Er waren in Leiden omstreeks 1590 echter ook veel 'matige' Vlamingen. Een van hen was het lachen bepaald vergaan in het Noorden: Lipsius. (Vgl. J. KIuyskens, Bijdragen en Medelingen Geschiedenis Nederlanden, 88 (1973), 19-37 ["Justus Lipsius' levenskeuze: het irenisme."]) Zo er een is die Leiden met Leuven verbindt, dan is hij dat wel. 'In het najaar van 1575 vestigde hij zich te Leuven. [...] [Na zijn promotie werd hij daar docent. Na de Pacificatie van Gent polariseerden de verhoudingen.] Vervlogen waren de dagen van tolerantie ... Uit vrees voor de reputatie van wreedheid die de muitende Spaanse soldeniers hadden, verliet Lipsius de universiteitsstad [Leuven], die op 5 februari 1578 werd geplunderd Hij vluchtte naar Antwerpen, waarheen ook de Prins van Oranje en de Staten-Generaal de wijk hadden genomen. Bij zijn vriend Christoffel Plantijn genoot hij gastvrijheid. Over Brugge vertrok hij naar de pas opgerichte calvinistische universiteit te Leiden. [...] De Leidse periode (1578-1591) was de schoonste en de vruchtbaarste van Lipsius' leven. In de loop van zijn dertien jaar professoraat publiceerde hij zijn twee levenswerken [...] ["De Constantia libri duo" en "Politicorum sive civilis doctrinae libri sex" - politieke-(ethisch-)filosofische geschriften.] [...] Vanaf het begin werd de universiteit gekenmerkt door haar kosmopolitisme. [...] [Lipsius was in Leiden een bemiddelaar tussen polariserende stromingen.] "Ik sterf honderd maal", schreef Lipsius aan Janus Dousa [zie hierna] op 14 september 1585, "als bemiddelaar, verzoener, als afgezant naar beide partijen". Hij had heimwee naar Brabant [...] Zijn beslissing de universiteitsstad te verlaten, was … de vrucht van langdurig overleg [vanaf 1585/6. In 1591 wordt hij hoogleraar te Leuven.].' (Citaat uit Kluyskens.)
Er was aan dat overleg wel wat voorafgegaan. Deze irenische man ontvluchtte onder opzienbarende omstandigheden in 1591 de Republiek. Door eigen schuld. Tolerant was de inhoud van Lipsius leer bepaald niet altijd, maar dat hoefde ook in de Republiek van de late zestiende eeuw nog geen problemen op te leveren. Zijn vertrek was geheel uit vrije wil. '[In 1589 had hij] de knuppel in het hoenderhok gegooid door [...] [in zijn "Politicorum sive civilis doctrinae libri sex"] te betogen, dat de vorst slechts een godsdienst in zijn land moest dulden en de andersdenkenden moest straffen indien zij althans in het openbaar optraden en onrust in de staat verwekten. Het betekende niet minder dan de verwerping in beginsel van de vrijheid van godsdienst. Er was een storm van verontwaardiging opgegaan en Dirck Volkertsz. Coomhert had zich als woordvoerder van het gerezen verzet opgeworpen ...'. (Citaat uit Kluyskens.) Op deze wijze werd Lipsius in een niet bewust door hem gezochte publieke discussie getrokken. Daarmee was zijn positie, als gezegd, echter niet onhoudbaar geworden. Lipsius had immers steun genoeg onder zijn collegae en de stedelijke magistraat.
5. Geen geleerden zonder drukkers: de Leidse Officina Plantiniana (1583-1619)
Met drie uit Antwerpen meegebrachte persen vestigde drukker Christoffel Plantijn zich in de lente van 1583 in het huis Assendelfi aan de Breestraat te Leiden. Vanaf 1 mei werd hij 'academiedrukker'. Met de komst van Plantijn kreeg de jonge universiteit nieuwe impulsen. De 'aartsdrukker' van Filips II was met zijn bedrijf voor veel humanistische geleerden uit Vlaanderen onmisbaar voor de productie van hun wetenschappelijke werk en de verspreiding daarvan. Plantijns schoonzoon, die het bedrijf na enige jaren van hem overnam, Raphelengius, was naast academiedrukker vanaf 1586 ook hoogleraar Hebreeuws. Na diens dood zetten zijn zoons Frans en Christoffel het bedrijf voort tot 1619. Het is niet onbegrijpelijk dat deze drukkerij al snel de Oosterse typografie vormgaf De productie was gigantisch. In deze drukkerij zijn 750 werken van de persen gekomen. Simon Stevin liet er zijn "Beghinselen der weegconst" uitbrengen, evenals zijn "Uytspraeck van de weerdicheyt der duytsche tael". Lipsius liet er "De Constantia" drukken. In het volgende hoofdstuk vindt men nog enige gerenommeerde uitgaven.
Het Zuid-Nederlandse aandeel in de boekproductie was zeer groot. Ook van niet in Leiden wonende Zuid-Nederlanders. Veel inwijkelingen kwamen uit Brugge; daar had het humanisme, vooral in de Erasmiaanse variant, zeer gebloeid. Veel humanistisch werk kwam ook uit Leuven. Zo kwamen tekstuitgaven van de klassieken, bewerkt door geleerden van het beroemde Collegium Trilingue, bij Plantijn van de pers.
Vermaard waren de geleerde Vulcanius, Giselinus en Lernutius, vrienden van Dousa (Jan van der Does, befaamd bevelhebber in de stad tijdens het beleg, zie hierna). Zij waren in hun liefde voor de poëzie verenigd en door hun band met hetzelfde drukkershuis. Dousa had ook al omstreeks 1575 in zeer nauw contact met de Brugse geleerde wereld gestaan (waaruit Vulcanius voortkwam). De beroemdste uitgave van het huis was de geïllustreerde uitgave van de negende-eeuwse codex van Aratus' astronomische leerdicht "Phaenomena", in originali in bezit van de Zuid-Nederlander geworden Jacobus Suys of Susius, geboortig uit Zierikzee.
6. Noord voor Zuid: een paar bijzondere relaties
Een aspect van de immigratie verdient nog nadere toelichting: de bijzondere ontvangst van Zuid-Nederlanders door sommige eminente Noord-Nederlanders. Ik doel hierbij op Jan van Hout en de al genoemde Jan van der Does, de neolatijnse dichter Janus Dousa. Jan van Hout was bevriend met Clrristoffel Plantijn, die hij al vanaf 1579 kende. Van Hout, secretaris van stad en universiteit, had mogelijk vanwege zijn huwelijk met een Brabantse notabelen-dochter al belangstelling voor het Zuiden. Voor Plantijn zou hij een onmisbare steun blijken te zijn. Niet alleen schreef hij diens testament. Ook konden waarschijnlijk op zijn voorspraak bij Plantijn beroemde boeken als de "Twe-spraeck der Nederduitsche Letterkunst" en de "Spieghel der Zeevaart" gedrukt worden. (K. Bostoen, "Plantijn en Jan van Hout", Gulden Passer, 1988/9). Ook in Dousa's leven zijn een paar interessante relaties met het Zuiden te vinden. Van der Does, medegrondlegger van de Leidse universiteit, had reeds in 1569 de eerste Leidse universiteitsdrukker, de Antwerpenaar Silvius, leren kennen. In 1575, bij de stichting der universiteit, zou wederom die bijzondere band met het Zuiden blijken: uit de voorbeeldrol die Dousa voor Leuven beschreef in een gedicht voor zijn mede-universiteitscuratoren: 'welke obstakels zouden deze nieuwe Universiteit te Leiden in Holland de stad die rechtens het voortouw neemt zowel in de lakennijverheid als in de muzencultus onder leiding en op initiatief van de illustere Oranje vanuit een soortgelijk begin en met een zelfde zorg opgekweekt als de Leuvense hogeschool, beletten als een nieuwe loot geleidelijk op te groeien en eerlang zyn kruin tot in de hoge hemel te verheffen?'
Men wilde Leuvens voorbeeld navolgen, evenaren en overtreffen. Dat blijkt duidelijk uit het vervolg van Dousa's gedicht uit 1575: 'Voor Leiden moet Leuven nu wijken, en met Leuven ook Douai en alle andere Universiteiten waar ter wereld ook." (C. Heesakkers en W. Reinders, "Genoeglijk bovenal zijn mij de muzen". Leiden, 1993.) Uiteindelijk echter kon, in de visie van Dousa, Leiden niet zonder zuidelijke steun. Toen Lipsius de stad Leiden in 1591 verliet, voerde Dousa de stad Leiden sprekend op: 'Zoek niet, reiziger, naar Oranje's Universiteit in Holland. Dat was vroeger, nu heb ik zo'n Hogeschool niet meer. Ik, de stad die voorheen beroemd was om haar naam Leiden, ik kan nu alleen maar zeggen: Leiden ben ik ooit geweest. Hij dus die mij ooit bedacht heeft met de naam Leithe, wat vergetelheid betekent, hij was de profeet van mijn ondergang. ... De fakkel van Lipsius is weggegaan. Daardoor is mij alle levenslicht ontnomen.' De komst van geniale opvolger van Lipsius, de Franse Hugenoot Scaliger, verhinderde de verwerkelijking van Dousa's profetie. Dousa's somberheid moet niet alleen gezien worden als een vorm van dichterlijke overdrijving. Het was meer dan dat: het was de erkenning van de Leidse schatplichtigheid aan het Zuiden.
7. Tot slot
In het beschreven geleerde milieu, geconcentreerd rond universiteit en drukkerij, kreeg bekrompenheid geen kans. In dit klimaat vonden Noord en Zuid elkaar in de humanistische bovenlaag. Hier was geen sprake van een over-accentuatie van het calvinisme. Ook katholieke auteurs als Lambertus en Adrianus Van der Burch kregen via Plantijn de gelegenheid hun werk te publiceren. Zo werd in de kringen van de universiteit en in de drukkerij de geest van "tolerantia" en "amicitia" tussen Noord en Zuid waarachtig bevorderd. Niet voor niets stierf de geleerde strijder Marnix van St. Aldegonde in Leiden: hij was symbool van Oranje, op diens kompas varend als weinig anderen. Daarom ook ontvangt in Leiden het Noorden het Zuiden en het Zuiden het Noorden.