De onderwijstaal aan universiteiten en hogescholen in Vlaanderen:

de gewijzigde wettelijke situatie

 

 

Prof. Jacques Willems

Ererector Universiteit Gent

 

 

Op de webstek van de Orde van den Prince is mijn academische toespraak[1] van oktober 2000 over de onderwijstaal aan de universiteiten en de hogescholen gepubliceerd. Ondertussen werden bij de goedkeuring van het decreet[2] op de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen eveneens de decretale bepalingen betreffende het taalgebruik aan universiteiten en hogescholen aangepast. De huidige decretale bepalingen verschillen dan ook grondig van hetgeen in mijn toespraak wordt vermeld. De bedoeling van deze notitie is deze wijzigingen aan te geven en bondig te bespreken in het licht van de overwegingen in mijn toespraak.

 

Hierna volgt een uittreksel uit het structuurdecreet met de bepalingen betreffende het taalgebruik.

 

 

Afdeling 9. - Taalregeling

 

Art. 90. De bestuurstaal in de hogescholen en universiteiten is het Nederlands.

 

Art. 91. § 1. De onderwijstaal in hogescholen en universiteiten is het Nederlands.

 

In de bachelors- en in de mastersopleidingen kan evenwel een andere taal worden gebruikt voor de volgende opleidingsonderdelen :

 

de opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben en die in die taal worden gedoceerd;

 

de opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gasthoogleraren of gastprofessoren;

 

de anderstalige opleidingsonderdelen die, met instemming van het instellingsbestuur, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs.

 

Het instellingsbestuur kan tevens beslissen dat in beperkte mate voor opleidingsonderdelen een andere taal dan het Nederlands wordt gebruikt wanneer

de meerwaarde voor de studenten en de functionaliteit voor de opleiding blijkt uit de expliciet gemotiveerde beslissing daartoe en op voorwaarde dat de hiervoor aangewezen docent de andere taal op adequate wijze beheerst.

 

In geen geval kan eenzelfde opleidingsonderdeel, behalve in de gevallen hierboven vermeld in het tweede lid, 1° en 3°, en in de gevallen waarin het opleidingsonderdeel door een anderstalige gastdocent wordt gedoceerd, volledig in een andere taal aangeboden worden.

 

Voor de bachelorsopleidingen is het gebruik van een andere taal dan het Nederlands beperkt tot ten hoogste 10% van de omvang van het opleidingsprogramma; voor het bepalen van die grens worden de opleidingsonderdelen bedoeld in het tweede lid, 1° en 3°, niet meegerekend.

 

In het hoger professioneel onderwijs geldt bovendien de beperking dat over de leerstof die in een andere taal wordt aangeboden, behalve in de gevallen vermeld in het tweede lid, 1° en 3°, nooit een examen afgenomen kan worden, tenzij dezelfde leerstof ook in het Nederlands werd aangebracht of gedoceerd.

 

Met inachtneming van het voorgaande hebben de studenten het recht over een opleidingsonderdeel waarin een andere onderwijstaal dan het Nederlands werd gebruikt, examen in het Nederlands af te leggen, met uitzondering van de opleidingsonderdelen bedoeld in het tweede lid, 1° en 3°.

 

§ 2. In afwijking van het bepaalde in § 1, kan het instellingsbestuur bachelors- en mastersopleidingen volledig in een andere taal dan het Nederlands aanbieden indien het om opleidingsprogramma's gaat die specifiek ten behoeve van buitenlandse studenten zijn ontworpen op voorwaarde dat er in dezelfde instelling een equivalente opleiding in het Nederlands wordt aangeboden.

 

Desgevallend kan het aanbod van een anderstalige opleiding en van de equivalente opleiding in het Nederlands worden verwezenlijkt door samenwerking en taakverdeling tussen voor de betrokken opleiding bevoegde instellingen binnen eenzelfde provincie zonder dat afbreuk gedaan wordt aan het recht van de student om een volledige opleiding in het Nederlands te volgen overeenkomstig de voorschriften van § 1.

 

Voor de toepassing van deze paragraaf worden het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de provincie Vlaams-Brabant als één geheel beschouwd.

Voorafgaand aan het indienen van de omvormingsvoorstellen zoals bedoeld in de artikelen 123 en 125 moet er een akkoord tussen de instellingen zijn als de equivalente opleiding niet aan dezelfde instelling wordt aangeboden. Dit akkoord wordt bij het omvormingsdossier gevoegd.

 

§ 3. In afwijking van het bepaalde in §§ 1 en 2, kan het instellingsbestuur mastersopleidingen in een andere taal dan het Nederlands aanbieden indien het gaat om opleidingsprogramma's die specifiek in het kader van het International Course Programme van ontwikkelingssamenwerking ten behoeve van buitenlandse studenten zijn ontworpen of indien het gaat om mastersopleidingen van Erasmus Mundus.

 

§ 4. In afwijking van § 1, bepaalt het instellingsbestuur de onderwijstaal in de bachelorsopleidingen waarvoor de inschrijving alleen openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een graad van bachelor, de mastersopleidingen waarvoor de inschrijving alleen openstaat voor personen die reeds in het bezit van een graad van master, en in de onderwijs- en andere studieactiviteiten die als nascholing of bijscholing worden georganiseerd bedoeld in artikel 17.

 

§ 5. Het instellingsbestuur stelt terzake een gedragscode op na raadpleging van de studenten en legt deze vast in het onderwijs- en examenreglement.

 

§ 6. Het instellingsbestuur geeft rekenschap over zijn beleid inzake het gebruik van een andere onderwijstaal dan het Nederlands in een jaarlijks verslag met een overzicht van de doelstellingen en resultaten onderbouwd door kwantitatieve gegevens en over de wijze waarop het de betreffende decretale voorschriften heeft gehandhaafd. Dit verslag wordt aan de Vlaamse regering en aan het Vlaams Parlement bezorgd binnen de drie maanden na het einde van het academiejaar.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende de wijze van verantwoording.

 

 

Door deze bepalingen wordt enerzijds de regelgeving aangepast aan de nieuwe onderwijsstructuur (de bachelor-master-structuur), maar vooral wordt een grotere vrijheid, maar ook een grotere verantwoordelijkheid gegeven aan de instellingen.

 

Daarin vinden wij volgende punten belangrijk en positief:

·        er is (behalve voor de eerste cyclus) geen procentuele beperking ingeschreven, maar een beperking aan de hand van de doelstellingen:

o       de mogelijkheid tot het inschakelen van anderstalige gastdocenten,

o       het bestuderen van een vreemde taal,

o       het mogelijk maken van uitwisseling met anderstalige instellingen,

o       het aanbieden van opleiding aan anderstalige (gast)studenten,

o       (vooral) het aanbieden van anderstalige vakken indien dit voor de opleiding van de (eigen) studenten een meerwaarde biedt;

·        de universiteit of instelling dient de beslissingen expliciet te motiveren;

·        de universiteiten en hogescholen dienen over hun beleid ter zake jaarlijks aan de Vlaamse overheid te rapporteren.

 

Ons persoonlijk oordeel is dat deze taalregeling een voldoende bescherming biedt voor het Nederlands, doch ook de mogelijkheden aanreikt aan de universiteiten en hogescholen om ten volle hun rol te spelen in een meer en meer geïnternationaliseerde en geglobaliseerde omgeving en om de studenten voor te bereiden op een toekomst in deze omgeving. We vragen ons wel af of een aantal van de meer gedetailleerde bepalingen in een decreet thuishoren en niet eerder getuigen van een (te) groot wantrouwen tegenover de instellingen van hoger onderwijs.

 

Voor de toekomst van het Nederlands als onderwijstaal is het belangrijk dat de instellingen hun verantwoordelijkheid ernstig opnemen en dat de overheid het vereiste belang hecht aan de motivering en de verslaggeving die van de instellingen vereist worden.

 

 



[1] http://www.ovdp.net/Algemeen/bibliotheek/documenten/JacquesWillems.doc

[2] http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/regel/BAMA/strdecr.html