<< Vorige pagina

19 januari 2018

De culturele identiteit van Vlaanderen en Nederland in kunst en taal


De culturele identiteit van Vlaanderen en Nederland in kunst en taal

 

 

“De komende Nederlandse cultuur zal divers zijn of zal niet (meer) zijn!” Deze uitdagende woorden vuurde professor Ludo Beheydt in 2016 af in de richting van de deelnemers aan de gewestdag van de gewesten Brabant-West en -Oost. Een vaststelling die er staat. Om te kunnen spreken over 'zal zijn' is het goed om naar 'toen was het' of 'hoe het groeide' te kijken. We kunnen slechts spreken over cultuur in het algemeen en de Nederlandse cultuur in het bijzonder, wanneer we de diepere betekenis van deze woorden kennen, begrijpen en kunnen benoemen.

 

Van toen naar straks

 

Ludo Beheydt is bij uitstek dé man die ons kan meenemen naar ons historisch verleden: het verhaal van noord en zuid, van wat ons bindt en waarin we verschillen van elkaar, het verhaal van wie we zijn. Vanuit 'toen' kunnen we kijken naar 'nu', het nu trachten te begrijpen om gemotiveerd de noodzakelijke stappen naar 'morgen' te kunnen zetten. Hij is voormalig hoogleraar Civilisation néerlandaise aan de Universiteit van Louvain-la-Neuve en bijzonder hoogleraar Cultuur der Nederlanden aan de Universiteit van Amsterdam en de Rijks Universiteit Leiden. In oktober 2017 gaf hij een lezing voor de afdeling Mechelen getiteld: “De culturele identiteit van Vlaanderen en Nederland in kunst en taal”. Ludo is als geen ander thuis in dit onderwerp, getuige zijn rijke en boeiende loopbaan in de academische wereld van onderwijs en onderzoek, de talloze publicaties van zijn hand en de nationale en internationale erkenning die hij daarvoor ontving. Koning Willem-Alexander bekleedde hem in 2015 met de eretekenen van Officier in de Orde van Oranje Nassau. Als lid van de afdeling Leuven is hij een echte vriend van de Orde, die opereert onder de naam van onze 'Prince', Willem de Zwijger. Reden temeer om een artikel te wijden aan zijn lezing.

 

Moed

 

De tekst van onze Keure (“De Prince is een Orde die tot doel heeft: de studie, de beleving en de uitbouw van de Nederlandse aard in het persoons-, gezins- en gemeenschapsleven”) is, zo begon Beheydt zijn uiteenzetting, een aansporing tot moedig opkomen voor de culturele identiteit. In deze tijden van superdiversiteit is het van belang om in voortdurende interactie met de ons omringende wereld onze culturele identiteit als cultureel erfgoed te profileren. Maar wat is nu eigenlijk die 'culturele identiteit'? Volgens de Amerikaanse cultuurhistoricus Stephen Greenblatt is culturele identiteit het resultaat van culturele mobiliteit: het (voorlopige) product van de dialectiek tussen culturele behoudsgezindheid en culturele verandering. Culturele identiteit ontwikkelt zich dan ook in voortdurende interactie met culturele diversiteit. Daarbij vergt het moed om onbeschroomd voor je culturele identiteit op te komen.

 

Kernwaarden

 

Culturele identiteit steunt in hoofdzaak op drie kernwaarden: een gedeelde taal, een gedeeld verleden en een gedeelde kunst. In dit opzicht zijn er duidelijke verschillen tussen Nederland en Vlaanderen. In het noorden heeft de taal vooral gebruikswaarde terwijl zij in het zuiden veeleer een symboolwaarde kent. Historisch gezien profileren Vlamingen zichzelf sinds de 19e eeuw, door de concurrentie met het naburige Frans, steeds nadrukkelijker via hun taal. Voor de Nederlanders, de Hollanders in het bijzonder, fungeerde de zich ontwikkelende standaardtaal in de 17e eeuw als vehikel voor een ontbolsterende culturele identiteit. De hele culturele elite, niet alleen de literaire, voelde zich betrokken bij die talige onderbouwing van de eigenheid. Zo benadrukte de Amsterdamse koopmandichter Roemer Visscher de gelijkwaardigheid van het Nederlands aan de cultuurtalen bij uitstek: het Latijn, het Frans en het Italiaans. Simon Stevin verrijkte de taal met termen die de plaats innamen van begrippen die aan andere talen zijn ontleend: 'wiskunde' in plaats van mathematiek en 'middellijn' voor diameter. Niet al zijn voorstellen haalden het evenwel: 'bijl' moest het afleggen tegen 'trapezium' en in plaats van 'naelde' ging de voorkeur toch uit naar het Griekse woord 'piramide'. In Vlaanderen verhevigde dat gevoel voor de eigen taal pas in de 19e eeuw bij coryfeeën als Jan David en Jan-Frans Willems als verzet tegen de overheersing van het Frans: “Triumph! – onz’ Nederduytsche tael is van het Fransche juk onthéven,” schreef Willems in 1814.

 

Lieux de mémoire

 

In de 17e eeuw voelt het noorden de behoefte om aan zijn ontluikende culturele identiteit ook een historisch fundament te geven. De dichter Pieter Corneliszoon Hooft, drost van Muiden en zoon van de Amsterdamse burgemeester Cornelis Pietersz. Hooft, werkte van 1628 tot 1647, het jaar van zijn dood, aan zijn omvangrijke Neederlandsche histoorien, een cultureel cadeau voor de jonge natie. In het zuiden was de nieuwe staat die België heette vanaf 1830 aanleiding tot een reconstructie van de glorieuze Vlaamse middeleeuwen. Hendrik Conscience gaf de Vlamingen met zijn Leeuw van Vlaenderen in 1838 een gevoel van trots en eigenwaarde. De Franse historicus Pierre Nora betitelt dergelijke mijlpalen in de totstandkoming van een culturele identiteit als 'lieux de mémoire': plaatsen van herinnering nauw verbonden met een gedeelde geschiedenis, met gebeurtenissen, maar ook met symbolen, historische figuren (Willem van Oranje!) en organisaties zoals de Kerk of het onderwijs, die een saamhorigheidgevoel teweeg brengen in een volk.

 

En de kunst?

 

In hoeverre speelt de kunst in de vorming van een culturele identiteit een rol? Traditioneel wordt de kunst in het noorden als wezenlijk anders gezien dan die in het zuiden. Tegenover de triomfantelijke Roomse barok ontwikkelt zich in het noorden een protestantsburgerlijke kunst. Enerzijds kunnen we ten noorden van de grote rivieren niet om begrippen als 'calvinistisch' en 'memento mori' heen, terwijl zich voor de situatie in het zuiden termen als 'katholiek' en 'carpe diem' opdringen. Zo staan de weelderige praal van de levensluchtige verfkwast van Rubens tegenover het ingehouden palet van de minutieus penselende Johannes Vermeer. Ook vandaag zijn de verschillen opvallend: de bizarre sensualiteit van Berlinde De Bruyckere en Jan Fabre’s even bizarre fantasieën wijken hemelsbreed af van Henk Helmantels hyperrealisme en Jeroen Hennemans constructivisme.

 

Scheiding

 

Zowel qua geschiedenis als qua kunst zijn noord en zuid twee onderscheiden gebieden en is (of lijkt?) er geen gemeenschappelijke culturele identiteit te bestaan. Wat dan met de taal? Delen Vlaanderen en Nederland nog wel één cultuurtaal? Nederland en Vlaanderen groeien meer naar elkaar toe in de schrijftaal. In de spreektaal groeien zij allengs verder uiteen. Het groene boekje (de Woordenlijst Nederlandse Taal) en de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) normeren boven en onder de Moerdijk de standaard. Maar daartegenover vormen het Poldernederlands in het noorden en het Verkavelingsvlaams in het zuiden twee divergerende varianten in de gesproken taal. Aan de ene kant van de grens manifesteert dit zich in een klankverschuiving en -verlenging van de tweeklanken ei, ui en ou ('Laaidse maajden' in plaats van 'Leidse meiden') en in grammaticale aberraties ('hun hebben', 'hij heb'), aan de andere kant in een Brabants gekleurde tussentaal ('ik vin ekik da nie plezant meer da gijlle lacht mee ons camions en ons taskes koffie'), nieuwvormingen ('rondpunt') of woorden die, in vergelijking met het Noord-Nederlands, een andere invulling krijgen ('goesting', 'poepen').

 

Twee culturele identiteiten?

 

De Nederlandse literatuurhistorica Jacqueline Bel merkte in haar in 2015 gepubliceerde boek Bloed en rozen, het achtste deel in het nieuwe standaardwerk over de geschiedenis van de Nederlandse literatuur, op: “Het Nederlandse taalgebied is te klein om daar nog eens een scheiding in aan te brengen.” Maar denken Vlaamse auteurs daar ook zo over, vraagt Beheydt zich af. Hij laat Saskia De Coster, schrijfster van onder andere Wij en ik (2013) en Wat alleen wij horen (2015), aan het woord: “Een corrector is iemand die de Vlaamse woorden uit de tekst filtert en mij somtijds het gevoel geeft dat ik van een ander melkwegstelsel kom.” De genoemde romans verschenen bij de Nederlandse uitgeverij Prometheus – vandaar haar verzuchting. Als het gaat over een andere Nederlandse en Vlaamse cultuurtak, die van de filmkunst, zien we dat er blijkbaar behoefte is aan twee versies van hetzelfde verhaal: twee jaar nadat in Vlaanderen de film Loft op het doek verscheen, werd hiervan in 2010 een Nederlandse remake gemaakt. Omgekeerd kwam Jan Verheyen in ditzelfde jaar in Zot van A met een Vlaamse variant van de Nederlandse rolprent Alles is liefde.

 

Amicitia et tolerantia

 

Als we de zaak op de keper beschouwen, zo besloot Beheydt, valt er dus veel in te brengen tegen één gemeenschappelijke culturele identiteit voor noord en zuid. Dat er in de taal een noordelijke en een zuidelijke variant kan worden onderscheiden hoeft ons echter niet te beangstigen. Dat is wel voor meer talen het geval: het Duits, het Frans, het Italiaans… En dat er een herkenbaar cultuurverschil kan worden geconstateerd tussen Vlaanderen en Nederland hoeft niet te betekenen dat Vlaanderen en Nederland niet een gemeenschappelijke cultuurpolitiek kunnen voeren. En in de geest van de Orde concludeerde de spreker: “Het is mijn weloverwogen mening dat in het superdiverse Europa en in de vervlakkende culturele globalisering de overlevingskansen van de culturele eigenheid van de Nederlanden gedeeltelijk zullen afhangen van een gezamenlijke, in ‘amicitia et tolerantia’ gevoerde cultuurpolitiek, gebaseerd op de onbeschroomde verdediging van het Nederlands en van de Vlaamse en Nederlandse culturele identiteit.”

 

Wim Hüsken

Afdeling Mechelen




Terug naar overzicht »