Gedicht van de maand: reminiscenties aan Bommel

Marianne van Scherpenzeel, lid van de redactie van PrincEzine, groeide op bij Den Haag, trouwde een Vlaming, ging met hem in Antwerpen wonen en werkte lang als taaladviseur voor het Vlaams Parlement. Wat heeft ze met Bommel/Zaltbommel (gelegen tussen Utrecht en Eindhoven)? Ze legt het uit aan de hand van twee gedichten.
Tijdens een schoolreisje in mijn lagereschooltijd reed onze bus via Zaltbommel. Op weg waarheen? Niet om de brug bij Bommel te zien. Het reisdoel herinner ik me zelfs niet meer. Wel weet ik nog dat ik gefascineerd was door de plaatsnaam Zaltbommel (zoute boomgaard), hoewel de oorspronkelijke naam Bommel was en de stad door de inwoners nog steeds zo genoemd wordt. Maar vooral was ik onder de indruk van het Hollandse rivierenlandschap. Toen ik heel wat jaartjes later het gedicht van Martinus Nijhoff leerde kennen, zag ik mezelf daar weer rijden, op de brug over de Waal. Reminiscenties.
Reminiscentie
Ook in Nijhoffs gedicht speelt reminiscentie een rol. Het gedicht lijkt te gaan over de brug bij Bommel, maar gaat eigenlijk over een vrouw die psalmzingend bij (aan?) het roer staat van een voorbijvarend schip. Er is veel inkt gevloeid over de vraag of dit gedicht autobiografisch is. Is de nieuwe verkeersbrug bij Bommel (geopend in november 1933) alleen maar een brug die twee oevers, Noord en Zuid, verbindt? Of is er sprake van een metaforische brug, een brug die de dichter verbindt met zijn eigen verleden, en betreft het een nostalgisch verlangen naar een verloren moeder?
Op grond van het feit dat Nijhoff zeer gehecht was aan zijn moeder, las men in dit gedicht gemakkelijk zijn verlangen naar zijn toen al gestorven moeder. Dat kan. Maar het is ook mogelijk dat Nijhoff zich voor dit gedicht 'ingeleefd' heeft in een verhaal van zijn vriend, de klavecinist Hans Philips, die hem vertelde dat hij op tweede kerstdag 1933 met zijn hondje op de Waalbrug bij Zaltbommel wandelde en daar op de grote, lege rivier een schip zag aankomen. Op dat schip een vrouw, alleen aan dek, die psalmen stond te zingen. Hij vertelde het verhaal aan Nijhoff in april 1934 tijdens een fietstocht van Utrecht naar Jutphaas. Nijhoff zei niets en glimlachte maar legde veertien dagen later zijn vriend dit gedicht voor. Het zou dus ook kunnen dat Nijhoff die ervaring als het ware heeft overgenomen.
De moeder de vrouw
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
Martinus Nijhoff (1894–1953)
Uit: Verzamelde Gedichten, uitgeverij Bert Bakker (1990)
Oorspronkelijk in: Nieuwe gedichten, uitgeverij Querido (1934)
Rutger Kopland
En dan is er het gedicht van Rutger Kopland (pseudoniem van Rudy van den Hoofdakker), die zich in De moeder het water liet inspireren door Nijhoffs gedicht. Eveneens reminiscenties, maar van een geheel andere aard.
Voor een goed begrip: Kopland kreeg van NRC Handelsblad de opdracht om een gelegenheidsgedicht over de nieuwe brug bij Bommel te schrijven. Geen gemakkelijke klus, want Nijhoffs gedicht was toen al zeer bekend en bij wijze van spreken opgenomen in de poëziecanon. Rutger Kopland zelf schijnt niet wild geweest te zijn van Nijhoffs gedicht. Hoe dan ook, hij maakte totaal iets anders. Het werd een sonnet over de nostalgische herinnering aan een niet letterlijk, maar wel de facto verloren moeder. De reactie van NRC op het gedicht is me niet bekend en evenmin of NRC het geplaatst heeft.
Geen gedicht dus over een ijzeren brug maar wel een ijzersterk gedicht, wat mij betreft.
De moeder het water
Ik ging naar moeder om haar terug te zien.
Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
leeg, als keek zij naar de verre overzijde
van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien
– toen ik daar stond op het gazon, pils gedronken
in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd
ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid –
misschien zou 't goed zijn als nu Psalmen klonken.
Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
loos stond in 't gras, alleen haar dunne haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer
zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn beloften na te komen, haar te bewaren.
Rutger Kopland (1934–2012)
(naar Martinus Nijhoff: 'De moeder de vrouw')
Uit: 'Tot het ons loslaat', uitgeverij Van Oorschot (1997)

Marianne van Scherpenzeel
Lid van de redactie van PrincEzine
Voor het oktobergedicht is genomineerd: Francine Spinnoy, lid van de afdeling Land van Edingen.
Foto boven het artikel: Wikimedia Commons: Jacintha.
Terug naar de PrincEzine (op de website)? Klik hier.