Een kaolo vet debat in Donner waar taal botste én verbond

Het begon niet met een woord, maar met een verwachtingsvolle ruis. In de warme beslotenheid van de Rotterdamse boekhandel Donner stroomde het publiek binnen: jong en oud, Rotterdammers en Hagenezen, liefhebbers van literatuur en kinderen van de straattaal. Zo'n ruim honderd mensen vonden hun plek tussen de boeken - een gemêleerd gezelschap, zoals taal zelf.

De avond droeg een titel die al meteen de toon zette: 'Kaolo vogala - een battle tussen hiphop en taalkunde'. Een belofte van frictie, maar misschien nog wel meer van ontmoeting. Met taalkundige Miet Ooms, schrijfster van het boek Van vogala tot noncha en lid van de afdeling Leuven-Arenberg, Aad van de Ende, voormalig docent Nederlands en lid van de afdeling Rotterdam en Professor Soortkill, oprichter van de Smibanese University (een on- en offline educatief en journalistiek mediaplatform en trainingsprogramma), hoeder van de Smibanese taal en erfgoed, bekend uit de hiphop scene en onder de youth en wonend in de Bijlmer. (Voor de OvdP-leden die wat minder thuis zijn in straattaal: kaolo (ook geschreven als kaulo) is afkomstig uit het Surinaamse Sranantongo en kan zowel 'heel erg' betekenen als 'shit' of 'klote' - redactie)

Verkeer

Professor Soortkill werd door het verkeer opgehouden en even dreigde de battle te beginnen zonder een van haar strijders. Maar als geboren verteller hield Aad van den Ende het gesprek soepel op gang. Hij weefde anekdotes en observaties tot een eerste brug tussen de werelden van straattaal en standaardtaal, van ritme en regel. Taalkundige Miet Ooms, kenner van de geschiedenis van het Nederlands, verraste met het verhaal over Suske en Wiske, van tante Sidonie die - met de invoering van het Standaardnederlands in 1964 - ineens tante Sidonia werd.

Energie

Toen Soortkill uiteindelijk binnenkwam, bracht hij de energie van de straat mee: woorden als 'mattie' (vriend), 'sok' (condoom) en 'patta' (schoen/sneaker) kregen een podium, niet als curiositeit, maar als levende taal. Tegenover hem stond Miet Ooms, die met zachte Vlaamse precisie de lange lijnen van het Nederlands schetste - van vogala tot vandaag. Geen tegenstelling, maar een spanning die vruchtbaar bleek.

Battle

Wat volgde was geen battle met winnaars en verliezers, maar een gesprek dat zich als vanzelf ontvouwde: soms scherp, soms speels, steeds zoekend. Over de invloed van de straattaal, over jongeren en sociale media, over de kloof - of juist de brug - tussen spreektaal en standaardtaal. En steeds weer die onderliggende vraag: wat houdt het Nederlands levend?

Eensgezind

Aan het eind van de avond bleek de uitkomst verrassend eensgezind. Taal is geen meetlat van goed of fout, geen hiërarchie van beter of slechter. Taal is een middel - misschien wel hét middel - om elkaar te bereiken. Zodra taal een oordeel wordt, sluit zij af. Zodra zij een uitnodiging is, opent zij.

Applaus

Het applaus was warm en langdurig. Maar misschien nog betekenisvoller was wat daarna bleef hangen: gesprekken tussen bezoekers en uitgewisselde blikken. Plus een lijst van twaalf nieuwe namen - mensen die zich aangetrokken voelden en nader kennis willen maken met een afdeling van de Orde van den Prince. Zo werd deze avond meer dan een debat. Het werd een moment van verbinding - tussen generaties, tussen steden, tussen vormen van taal. Of, om het in de geest van de avond te zeggen: geen allegaartje, maar een rijk palet.