Gedicht van de maand: de metamorfose van dementie

Vanaf februari dit jaar stond het thema metamorfose centraal in de rubriek Gedicht van de maand. We brachten gedichten van onze eigen OvdP-dichters, die heel verschillende aspecten van gedaanteverwisselingen behandelden. Zo vonden we externe menselijke factoren die voor een negatieve invloed zorgen op de dichter terug bij Mark Naessens in Transformatie, Herma de Beer in phoenix, Eliane Boileau in Theater en Eliane Brion in Van hond tot wolf. Ook de natuur zorgt voor wisselingen zoals Willy Martin en Ludo Verougstraete ons voorhielden: Willy met de soms landschappelijk verbeelde werkelijkheid en Ludo met de invloed van het shintoïsme. Patrick Nijs sluit in deze PrincEzine de metamorfosereeks af. Met een confronterend gedicht over mentale aftakeling.

 

In feite had Patrick Nijs, voormalig leerkracht Nederlands/Engels en secretaris NT&C van de afdeling Tienen, niet minder dan zestien gedichten liggen met als thema 'metamorfose' - een reeks op zichzelf. Maar hij vond het moeilijk er één te kiezen. Want wat bleek? "Veel van die metamorfosegedichten zitten zo organisch verweven in die diepgewortelde, negatieve spiraal dat het op een aanslag leek, een losweken uit zijn habitat."

Aftakeling

Daarom schreef Patrick een nieuw gedicht over een angstaanjagend verschijnsel van mentale aftakeling: "Aftakeling die de grond dagelijks doet daveren of de stilte messcherp in de rug steekt van degene die het dichtst bij de getroffene vertoeft en die zich schrap moet zetten om ook zelf niet te vervellen, te blijven geloven in de vroegere verbondenheid, niet ten onder te gaan. Een stilaan groeiend, bijna gelijktijdig proces van machteloosheid en ver(d)wazing tussen twee generaties geliefden, die zelden kunnen worden verengd tot zorgverstrekker en patiënt."

Dementie

Patrick beschrijft dementie niet klinisch als 'verstoorde hersencellen en onderbroken verbindingen tussen de cellen', maar interpreteert als dichter. Hij zorgde zelf voor wat duiding, waarvoor we hem zeer dankbaar zijn!

 

Dementie

Ik heb bijna geen wortels meer
Twee jonge activisten hebben die
onlangs ongevraagd doorgezaagd
met een gigantische kettingboor

Mijn kamerjas in een fabriek
in het Verre Oosten aaneengestikt
hebben ze ergens geniepig verstopt
nadien ben ik zelfs verjaagd

Te voet, ja zonder enige hulp
de straat op, twee schamele koffers
met - ik weet niet wat erin zit -
misschien kleren of verse takken

Hoe ver moet ik naar het station
zal ik er wel op tijd aankomen
alleen geraak ik niet op de stoep
aan de brug die maar blijft groeien

Straks moet ik me helemaal uitkleden
niemand kan me daartoe dwingen
ik weet wel beter dan die nudisten
of beter sadisten met containers geld

Oh ja, ik kan bellen vannacht
er zal toch nog iemand wakker zijn
me uitlachen dat wil ik niet
met mijn veel te groot clownpak

Als ik maar tot bij de prikkeldraad kom
haal ik mijn sterkste wapen uit mijn lade
een zakdoek heb ik wel nodig voor de loop
die moet zuiver zijn, zegt mijn zoon altijd

Hij zal wel komen kijken, denk ik
ik kan er toch niet blijven staan
het vriest en er ligt nog altijd sneeuw
heb ik mijn zwembroek wel aangetrokken

Niemand houdt een paraplu in mijn hoofd
er wordt gezongen alsof het Kerstmis is
mijn kleinkinderen trouwen met schermzombies
ik ga niet, begrepen, ik sterf nog liever

Het komt goed, morgen ben ik thuis
daar krijg ik weer wortels en bladeren
heb ik geen bruisend water nodig
groei ik tot in de hemel, vanzelf

 

Patrick Nijs
 

Verduidelijking

De ik-persoon bevindt zich nog niet in een vergevorderd stadium van geheugenverlies. Hij voelt aan dat hij niet meer optimaal functioneert, zie het eerste vers. Niettemin kan hij soms associatief redeneren. Twee jongeren (uit het Verre Oosten?) hebben zijn familiale ingebedheid doorgezaagd. Dat trauma lijkt zich in de volgende strofen te situeren in zijn thuisland waar het station, zijn kledij, een geweer en zwembroek zich als een emotionele achtbaan ontwikkelen na te zijn verjaagd.

Soms vervagen de grenzen van tijd en ruimte in zijn ervaringswereld, verlegt en/of wist hij ze.
Onze getormenteerde ik zit duidelijk in de fase van verglijding, haalt begrippen door elkaar, maar kan nog reflecteren. Hij twijfelt wel aan zichzelf, maar geeft niet onmiddellijk op, conform de laatste vijf verzen.

Na al het negatieve dat hij heeft meegemaakt de laatste tijd, blijft hij optimistisch gestemd: getuige daarvan de slotstrofe.

En wij geloven hem… tot in de hemel.
 

Marianne van Scherpenzeel
Redactielid PrincEzine

 

Voor het novembernummer zijn genomineerd: de drie dichters die optraden tijdens de heroprichting van de afdeling Eindhoven.